Taal

Taal heeft te maken met communicatie (zie eerste criterium waarop kinderen met ASS uitvallen).

Zonder te veel in detail te treden, hanteren kinderen met ASS vaak een monotone uitspraak, een monotoon taalgebruik (steeds over hetzelfde onderwerp praten) en een gering taalbegrip. Het metaniveau is vaak afwezig, ik bedoel daarmee dat figuurlijk taalgebruik niet begrepen wordt (denk aan spreekwoorden of uitdrukkingen). Dat komt omdat de context belangrijk is voor de betekenisverlening, en net de integratie van die context is meestal afwezig (zie Centrale Coherentie).

Kinderen met ASS hebben veelal nood aan concretiseren en generaliseren.

Ook echolalie komt vaak voor. Het gezegde wordt letterlijk herhaald, soms direct soms later, los van de context.

Tevens hebben kinderen met ASS een tekort aan innerlijke taal. Er zit geen structuur of verband in hun gedachten. Ze hebben moeite om hoofd- en bijzaken te scheiden en kunnen moeilijk tot de kern van de zaak komen, waardoor het maken van keuzes wel heel moeilijk wordt. ‘Ik weet het niet.’

Praktijkvoorbeeld: juf: “Ben je rond?” Fien kijkt naar zichzelf. Ze vindt zichzelf niet rond. (figuurlijk taalgebruik) Juf vraagt opnieuw: “Ben je klaar?” Fien: “Ben je klaar?” (echolalie) Juf probeert nog eens: “Heeft jouw vis al genoeg vinnen of doe je er nog één bij?” Fien reageert niet. (moeite met keuzes maken, beslissen)

Over taal en communicatie bij kinderen met ASS zijn er talloze boeken en studies gepubliceerd, daarom ga ik hier minder diep op in.

Kinderen met ASS in het Gewoon Onderwijs lijken veelal vlotte praters en worden daardoor vaak overschat, maar ze begrijpen de bedoeling achter je woorden niet. Gebruik concrete en letterlijke taal, geen spreekwoorden of metaforen, en visualiseer.

Spreek in korte zinnen en wees concreet (‘straks’ is uit den boze, 'de verf' is de blauwe verf op de schildertafel ...)

Vermijd spreekwoorden en ander figuurlijk taalgebruik.

Geef het kind de tijd om de verbale opdracht te verwerken. Vraag eventueel na. Verduidelijk wat je wilt of bedoelt door visualiseringen.

Het praktijkvoorbeeld wordt dan: juf: “Je bent klaar als je vis een buik heeft, een staartvin, een rugvin, twee ogen en een mond. Fien, wat moet de vis allemaal hebben?

Obstakels begrijpen - Obstakels? - ZINTUIGLIJKE ERVARINGEN - Contact met ouders